Aansluitingstoets BAZ

Op deze pagina vind je informatie over vrijstellingen binnen de leerroute Basis Acute Zorg (BAZ) en over de aansluitingstoets die Zorgopleidingen inzet om het kennisniveau in beeld te brengen. Klik op een onderwerp om de toelichting te openen.

Kan ik met een oud CZO-diploma vrijstelling krijgen voor de BAZ?

Als je in het bezit bent van een oud CZO-diploma, kun je mogelijk in aanmerking komen voor vrijstelling binnen de BAZ-leerroute. Oudere CZO-opleidingen en de bijbehorende diploma’s en certificaten waren nog niet gebaseerd op EPA’s. In die opleidingen stond een integrale bekwaamverklaring voor de functie centraal, en werd nog niet gewerkt met afzonderlijke bekwaamverklaringen per EPA.

Een oud CZO-diploma leidt daarom niet automatisch tot vrijstelling binnen een EPA-gebaseerde leerroute. Wel kan eerder gevolgd onderwijs onderdeel zijn van de onderbouwing van een vrijstellingsverzoek.

Verantwoordelijkheden

  • De zorgorganisatie is verantwoordelijk voor het praktijkleren.
  • Zorgopleidingen is verantwoordelijk voor het theoretisch onderwijs en beoordeelt of een student in aanmerking komt voor vrijstelling van theoretische leeractiviteiten binnen de BAZ.

Zorgopleidingen beoordeelt of de student aantoonbaar beschikt over:

  • voldoende aansluiting tussen eerder behaalde leeruitkomsten en de leerdoelen van de betreffende leeractiviteiten;
  • actueel en relevant kennisniveau;
  • passende onderbouwing met objectieve bewijsstukken.

Bekwaamverklaringen voor EPA’s en resultaten voor bijbehorende theorie kunnen een rol spelen, maar worden altijd beoordeeld in samenhang met de volledige aanvraag.

Is een (oud) diploma met cijferlijst voldoende voor vrijstelling van EPA's?

Een oud diploma met cijferlijst kan onderdeel zijn van de onderbouwing, maar is op zichzelf meestal niet voldoende om vrijstelling te verlenen. Een diploma laat zien dat iemand eerder onderwijs heeft afgerond, maar geeft niet altijd inzicht in inhoud, niveau, actualiteit en toepasbaarheid binnen de huidige CZO-leerroute.

Bij de beoordeling wordt gekeken naar:

  • de leerdoelen van het eerder gevolgde onderwijs;
  • de mate van overeenkomst met de huidige leeractiviteiten;
  • de actualiteit van de opgedane kennis en vaardigheden.

Voor het praktijkleren geldt dat de zorgorganisatie een eigen verantwoordelijkheid heeft in de beoordeling van bekwaamheid en de weging van bewijs in het portfolio. In sommige gevallen is aanvullende onderbouwing nodig, bijvoorbeeld via een diagnostische toets of praktijkobservatie.

Op welke wijze kan ik vrijstelling van het praktijkgedeelte onderbouwen?

Voor het praktijkgedeelte heeft de zorgorganisatie een eigen verantwoordelijkheid. Een zorgvuldige en navolgbare onderbouwing bestaat doorgaans uit de volgende stappen:

  1. Overzicht van bewijsstukken

    Maak een overzicht van relevante diploma’s, certificaten en andere beschikbare bewijsstukken. Dit overzicht vormt de basis voor verdere analyse.

  2. Koppeling aan EPA’s

    Breng per bewijsstuk in kaart welke beroepsactiviteiten, competenties en vaardigheden hiermee zijn onderbouwd. Gebruik de beschrijvingen en criteria van de betreffende EPA’s binnen de Basis Acute Zorg.

  3. Aanvullende onderbouwing uit de praktijk

    Verzamel praktijkbeoordelingen, feedback van werk- of praktijkbegeleiders en verslagen van praktijkervaringen die de beheersing onderbouwen.

  4. Rapportage

    Leg vast hoe de onderbouwing is opgebouwd, welke bewijsstukken bijdragen aan de beoordeling en motiveer de weging.

Bij twijfel kan een praktijkobservatie (proeve van bekwaamheid) worden ingezet. Daarvoor kan het bijbehorende rapportageformulier voor praktijkobservatie worden gebruikt.

De aansluitingstoets

De aansluitingstoets brengt in beeld in hoeverre een student beschikt over de generieke basiskennis acute zorg die nodig is om het onderwijs binnen de Basis Acute Zorg goed te kunnen volgen. De toets is geen toelatingstoets en leidt niet automatisch tot vrijstelling — het karakter is diagnostisch.

De aansluitingstoets heeft drie doelen:

  • inzicht geven in het actuele kennisniveau van de student;
  • studieadvies geven over de aansluiting op het onderwijs binnen de BAZ;
  • bijdragen aan effectief en efficiënt onderwijs, doordat eventuele kennishiaten tijdig zichtbaar worden.

De uitslag kan worden opgenomen in het portfolio als onderbouwing van het kennisniveau en kan worden betrokken bij de beoordeling van een verzoek tot vrijstelling van theoretische leeractiviteiten. Wanneer bepaalde kennis nog onvoldoende aanwezig is, kan gericht worden geadviseerd welke leeractiviteiten nodig zijn (e-learning, zelfstudie of deelname aan onderdelen van het onderwijs).

De zorgorganisatie blijft zelf verantwoordelijk voor de weging van bewijsstukken die relevant zijn voor het praktijkleren en voor bekwaamverklaring.

Hoe gaat dit in zijn werk?
  1. Inschrijven voor de toets

    Een verpleegkundige die meer dan twee jaar geleden een BAZ-module heeft afgerond en wil deelnemen aan onderwijs voor nieuw te behalen EPA’s Acute zorg, moet in het portfolio rapporteren over de voorwaardelijk generieke basiskennis acute zorg. Er zijn 10 toetsen per jaar ingepland. De afname wordt gefactureerd.

  2. Afname van de toets

    De toets toetst de kennis die als bekend mag worden verondersteld en het instapniveau vormt voor het aansluitende onderwijs van de te volgen kern- of specifieke EPA’s.

  3. Toetsanalyse

    De docent brengt aan de hand van een toetsanalyse in kaart waar kennishiaten zitten en waar de student kan groeien.

  4. Advies leeractiviteiten

    De docent adviseert welke leeractiviteiten ingezet kunnen worden — van e-learning tot deelname aan contactonderwijs van (onderdelen van) de basis acute zorg.

  5. Uitslag en offerte

    De uitslag, het advies en een offerte voor geadviseerde lessen wordt naar de student en de leidinggevende van de leer-werkplek gestuurd.

  6. Akkoord en deelname

    Bij akkoord met de offerte deze graag binnen 14 dagen terugsturen, waarna deelname aan de reparatielessen wordt gefaciliteerd.

  7. Vastlegging in portfolio

    De uitslag en deelname aan reparatielessen worden in het portfolio opgenomen.

Let op: schrijf zo snel mogelijk in voor een toetsmoment, omdat een reparatieprogramma tijd in beslag kan nemen. In bepaalde gevallen kan het nodig zijn om de startdatum van het kernonderwijs te verplaatsen.

Hoe is de toets geconstrueerd?

De toets bestaat uit 140 multiple-choicevragen met 3 antwoordmogelijkheden. De tijdsduur is 3 uur (gemiddeld anderhalve minuut per vraag). De toets is opgebouwd aan de hand van generieke onderwerpen behorende bij onderstaande EPA’s van de basis acute zorg:

  • Zorgdragen voor de eerste (initiële) opvang van een zorgvrager binnen de acute setting
  • Laagcomplexe zorg verlenen aan een zorgvrager binnen de acute setting
  • Middencomplexe zorg verlenen aan een zorgvrager binnen de acute setting

OBIT-classificatie

Per onderwerp wordt onderscheid gemaakt op verschillende niveaus van leren volgens de OBIT-classificatie:

  • Onthouden — herinneren, onthouden van informatie; je hoeft het niet te snappen.
  • Begrijpen — in eigen woorden weergeven, voorbeelden geven, grote lijnen aangeven.
  • Integreren — verbinden van kennisdelen; meerdere denkstappen en het koppelen van gegevens.
  • Toepassen — gebruiken van kennis in een nieuwe, onvoorspelbare situatie waarbij denkstappen niet gegeven zijn.
Kosten en inschrijven

Voor meer informatie, beschikbare data en de kosten voor de aansluitingstoets Acute Zorg verwijzen wij je naar de pagina van het UMCG Onderwijscentrum:

Aansluitingstoets Acute Zorg — onderwijs.umcg.nl

Let op: voor deze toets worden kosten in rekening gebracht.

Hoe kan ik mij voorbereiden op de toets?

In principe hoeft de toets niet voorbereid te worden — er wordt immers vrijstelling aangevraagd. Indien toch voorbereiding gewenst is, is het raadzaam om de leeruitkomsten aan te houden (zie “Welke leeruitkomsten worden er getoetst?”). De toets is ook geconstrueerd aan de hand van deze leeruitkomsten.

Aanbevolen bronnen

  • Bakker, M. (2022). ProActive Nursing: Klinische problematiek inzichtelijk (3e druk). Boom.
  • Delwig, H., Nijsten, M. W. N., & Oude Lansink, A. (2022). Water en zout: Een praktische handleiding (3e druk). Venticare.
  • Hermens, J., & Van Summeren, B. (2023). Shock: Een praktische handleiding (14e druk). Venticare.
Welke leeruitkomsten worden er getoetst?

De leeruitkomsten zijn geordend per thema. Klik op een thema voor de volledige lijst.

Systematische benadering acute patiënt

De student:

  • Verzamelt aan de hand van casuïstiek op methodische wijze gegevens over de toestand van de patiënt en bepaalt op basis van de geconstateerde gezondheidsproblemen de urgentie.
  • Stelt een werk- en differentiaaldiagnose op o.b.v. de verkregen informatie.
  • Beargumenteert welke observaties, controles en metingen moeten worden uitgevoerd.
  • Geeft aan welke (verpleegkundige) interventies uitgevoerd moeten worden, afwegend tussen risico’s en beoogde gezondheidswinst, onderbouwd vanuit de onderliggende theorie.
  • Beargumenteert (mogelijk) positief of negatief effect op korte en lange termijn.
  • Beargumenteert hoe het effect van interventies geëvalueerd en bewaakt wordt.
  • Bepaalt welke bewaking noodzakelijk is op basis van een risicoanalyse.
Patiënt met een verstoorde respiratie — onthouden & begrijpen

De student:

  • Legt uit welke rol de respiratie speelt bij het in stand houden van de homeostase.
  • Legt uit hoe de luchtstroom gedurende de ademcyclus tot stand komt en waardoor deze wordt beïnvloed (flow, druk, volume, weerstand, compliance, metabolisme, frequentie, teugvolume en ademarbeid).
  • Legt uit hoe de gaswisseling in de gezonde longen tot stand komt (longvolumes, diffusie, ventilatie, oxygenatie, ventilatie/perfusieverhouding, shunting en dode ruimte).
  • Beschrijft de oxygenatie van hemoglobine aan de hand van de zuurstofdissociatiecurve.
  • Onderscheidt bij auscultatie vesiculair ademgeruis, rhonchi, crepitaties en wheeze.
  • Benoemt hoe de weergave van parameters (ECG, SpO2, ademhaling) tot stand komt en hoe een optimale registratie bereikt wordt.
  • Benoemt werkingsprincipes van verschillende vormen van zuurstoftherapie (zuurstofbril, venturimasker, non-rebreathing masker en Optiflow®).
  • Beschrijft bij respiratoire insufficiëntie: verstoring, schadelijke effecten, gevolgen voor vitale functies, relatie tussen oorzaak, gevolg en symptomen, veranderingen in basisparameters, interacties tussen vitale functies, noodzakelijke interventies en evaluatie daarvan.
  • Beschrijft de bloedgasanalyse: zuren en basen, pH, zuur-base-evenwicht, buffersystemen, belangrijkste verstoringen, compensaties, normaalwaarden en gecombineerde afwijkingen.
Patiënt met een verstoorde respiratie — integreren & toepassen

De student:

  • Beoordeelt gegevens over luchtwegen, ademprikkel, ademarbeid, gaswisseling en pulmonale doorbloeding om een conclusie te trekken over de respiratie.
  • Analyseert een arteriële bloedgas en geeft aan wat de invloed is op de ademprikkel en hoe een afwijking gecompenseerd dient te worden.
  • Stelt een werk- en differentiaaldiagnose op.
  • Beargumenteert noodzakelijke observaties, controles en metingen.
  • Geeft aan hoe de ademhaling ondersteund moet worden, zonder deze (non)invasief over te nemen.
  • Beargumenteert (mogelijk) positief en negatief effect op korte en lange termijn.
  • Beargumenteert hoe het effect van interventies geëvalueerd en bewaakt wordt.
  • Bepaalt welke bewaking noodzakelijk is op basis van een risicoanalyse.
Patiënt met een verstoorde circulatie — onthouden & begrijpen

De student:

  • Legt uit welke rol de circulatie speelt bij het in stand houden van de homeostase.
  • Legt de rol van de circulatie uit in relatie tot de zuurstoftransportcapaciteit.
  • Legt de onderlinge relatie uit tussen druk, flow en weerstand (wet van Ohm).
  • Legt uit hoe veranderingen in vaatweerstand de bloeddruk en cardiac output beïnvloeden.
  • Legt de bloeddrukregulatie uit en betrekt hierin het zenuw- en hormoonstelsel.
  • Legt uit wat het Frank-Starling-mechanisme is en waarop het berust.
  • Benoemt door welke krachten/processen het hart tijdens de diastole wordt (bij)gevuld.
  • Benoemt hoe een normale curve van het drukverloop tijdens één hartcyclus eruitziet.
  • Legt uit welke effecten een versterkte sympathische prikkeling heeft op druk en volume van rechter en linker harthelft.
  • Benoemt hoe de vergroting van de cardiac output tot stand komt tijdens inspanning.
  • Legt uit waarom de bloeddruk in de grote circulatie hoger is dan in de kleine circulatie en wat daarvan de functionele betekenis is.
  • Legt uit wat er gebeurt met de arteriële en veneuze bloeddruk tijdens inspanning.
  • Benoemt wat veneuze return is en welke factoren daarop van invloed zijn.
  • Benoemt welke factoren van invloed zijn op de cardiac output.
  • Legt uit wat preload, afterload en contractiliteit inhouden.
  • Beschrijft een normale arteriële drukcurve en de variaties hierop.
  • Benoemt welke factoren de bloeddruk beïnvloeden en berekent een MAP.
  • Legt uit hoe de bloedflow in de vaatbedden van organen geregeld wordt.
  • Benoemt de functie en het belang van baroreceptoren en de baroreceptorreflex.
  • Benoemt de definitie en klinische kenmerken van hartfalen (geen shock) en van acute decompensatio cordis.
  • Benoemt compenserende reacties op verminderde ventriculaire functie, verminderd intravasaal volume en verminderde vaatweerstand.
Patiënt met een verstoorde circulatie — integreren & toepassen

De student:

  • Beoordeelt gegevens over veneus aanbod, pompfunctie en arterieel vaatstelsel om een conclusie te trekken over de circulatie.
  • Stelt een werk- en differentiaaldiagnose op.
  • Beargumenteert noodzakelijke observaties, controles en metingen.
  • Geeft aan hoe de circulatie ondersteund moet worden.
  • Beargumenteert (mogelijk) positief en negatief effect van interventies.
  • Beargumenteert hoe het effect van interventies geëvalueerd en bewaakt wordt.
  • Bepaalt welke bewaking noodzakelijk is op basis van een risicoanalyse.
Patiënt met een afwijkend ECG — onthouden & begrijpen

De student:

  • Beschrijft de normale prikkelgeleiding in het hart, van sinusknoop tot Purkinje-vezels.
  • Beschrijft termen depolarisatie, repolarisatie, actiepotentiaal en refractaire periode.
  • Beschrijft de relatie tussen afwijkende elektrolyten (kalium en calcium) en ECG-afwijkingen.
  • Benoemt PP- en RR-intervallen (frequentie/min) op een ECG.
  • Benoemt normale geleidingstijden (pq-tijd, qrs-duur, qt-tijd) en oorzaken van afwijkingen.
  • Benoemt kenmerken van diverse ritmes, blocken en ectopieën (sinus, atriaal, junctional, ventriculair; brady-/tachycardie; PAC/PJC/PVC; AF/flutter; VT, torsade des pointes, VF; AV-blokken; bundeltakblokken).
  • Benoemt criteria van een afwijkende hartas (afleiding I en aVF).
  • Beschrijft abnormaliteiten op het ECG bij ischemie en infarcering.
Patiënt met een afwijkend ECG — integreren & toepassen

De student:

  • Herkent ritme- en geleidingsstoornissen op een ECG en beredeneert de gevolgen voor de hemodynamiek.
  • Herkent ECG-afwijkingen (verlengde QT-tijd, afwijkende hartas, bundeltakblok, ischemie/infarcering per gebied, hypo- en hyperkaliëmie) en beredeneert de gevolgen voor de patiënt.
Patiënt met een verstoorde neurologie en verward gedrag — onthouden & begrijpen

De student:

  • Legt uit welke rol het zenuwstelsel speelt bij het in stand houden van de homeostase.
  • Beschrijft anatomie en fysiologie van het zenuwstelsel (centraal/perifeer, prikkelgeleiding, somatisch/autonoom, sympathisch/parasympathisch).
  • Beschrijft de pathofysiologie bij CVA, epilepsie, subarachnoïdale bloeding, encefalitis, meningitis en licht traumatisch schedel-/hersenletsel.
  • Legt uit hoe een normale pupilreactie tot stand komt.
  • Legt uit hoe hersenschade kan optreden (primaire en secundaire hersenschade).
  • Benoemt bewakingsmogelijkheden op het gebied van hersenfunctie en bewustzijnsniveau.
  • Benoemt klinische uitingen van een neurologisch bedreigde patiënt.
  • Beschrijft de wijze van afname van de Glasgow Coma Scale (EMV-score).
  • Beschrijft kenmerken en behandeling van nociceptieve en neuropathische pijn.
  • Benoemt (contra)indicaties en (bij)werkingen van paracetamol, NSAID’s en opioïden.
  • Legt uit hoe de mate van analgesie geëvalueerd kan worden (VAS, NRS en VRS).
  • Beschrijft de effecten van analgesie en sedatie op de gezondheidstoestand.
  • Beschrijft kenmerken, risicofactoren en behandelingen van een delier.
Patiënt met een verstoorde neurologie en verward gedrag — integreren & toepassen

De student:

  • Beoordeelt gegevens over cerebrale functies, zintuiglijke input, motorische output, sensorische functies en pijn om een conclusie te trekken over neurologie en zintuiglijk systeem.
  • Analyseert en interpreteert observaties (AVPU, EMV, pupilreactie, Ramsay-score, delier-score).
  • Stelt een werk- en differentiaaldiagnose op.
  • Beargumenteert noodzakelijke observaties, controles en metingen.
  • Geeft aan welke (verpleegkundige) interventies uitgevoerd moeten worden.
  • Beargumenteert (mogelijk) positief en negatief effect van interventies.
  • Beargumenteert hoe het effect van interventies geëvalueerd en bewaakt wordt.
  • Bepaalt welke bewaking noodzakelijk is op basis van een risicoanalyse.
Patiënt met een verstoord milieu interne — onthouden & begrijpen

De student:

  • Legt uit welke rol de vocht- en elektrolytenbalans spelen bij de homeostase.
  • Beschrijft kenmerken en functie van het intravasculaire, intracellulaire en interstitiële compartiment.
  • Legt uit wat osmose, diffusie, filtratie en colloïd osmotische druk zijn.
  • Beschrijft de rol van natrium-, kalium- en albumineconcentratie m.b.t. de vochtverdeling tussen de compartimenten.
  • Beredeneert naar welk compartiment vocht zich verplaatst bij verandering in osmolariteit en/of colloïd osmotische druk.
  • Beschrijft het mechanisme van actief transport van natrium en kalium.
  • Beschrijft hypotone, isotone en hypertone oplossingen.
  • Geeft bij prerenale, renale en postrenale nierinsufficiëntie aan: mogelijke oorzaken, noodzakelijke observaties, maatregelen en gevolgen voor andere vitale functies.
  • Benoemt de hoofdfasen van de stollingscascade.
  • Benoemt de invloed van verstoringen van de homeostase (temperatuur, pH) op de stollingscascade.
  • Benoemt principes van behandelingen die ingrijpen in het stollingsproces.
  • Benoemt wanneer een verhoogd bloedings- of stollingsrisico aanwezig is.
  • Benoemt symptomen en observaties om complicaties van transfusie vroeg vast te stellen.
  • Legt uit welke rol de tractus digestivus speelt bij de homeostase.
  • Benoemt symptomen en observaties om complicaties van de tractus digestivus vroeg vast te stellen.
  • Beschrijft algemene en specifieke afweer van het menselijk lichaam.
  • Maakt onderscheid tussen besmetting, kolonisatie, infectie en (kruis)infecties.
  • Beschrijft componenten van de besmettingscyclus.
  • Beschrijft factoren waardoor een besmetting tot infectie evolueert.
Patiënt met een verstoord milieu interne — integreren & toepassen

De student:

  • Beoordeelt gegevens over inname en behoefte, osmolariteit, watermassa, nierfunctie en mictie om een conclusie te trekken over de vocht- en elektrolytenbalans.
  • Doet een voorstel voor een type infuusvloeistof (NaCl 0,9%, glucose 5%, glucose/zout, glucose 40%, albumine, ringerlactaat en andere gebalanceerde oplossingen).
  • Beoordeelt gegevens over het stollings- en fibrinolytisch systeem om een conclusie te trekken over de hemostase.
  • Beoordeelt gegevens over inname, behoefte, afbraak, vertering, transport, absorptie en defecatie om een conclusie te trekken over het digestief systeem.
  • Geeft aan welke materiële en organisatorische voorzieningen verspreiding van micro-organismen voorkomen of infectiegevoelige patiënten beschermen.
  • Beargumenteert noodzakelijke observaties, controles en metingen.
  • Geeft aan welke (verpleegkundige) interventies uitgevoerd moeten worden.
  • Beargumenteert (mogelijk) positief en negatief effect van interventies.
  • Beargumenteert hoe het effect van interventies geëvalueerd en bewaakt wordt.
  • Bepaalt welke bewaking noodzakelijk is op basis van een risicoanalyse.
Patiënt met shock — onthouden & begrijpen

De student:

  • Benoemt oorzaken van de vier vormen van shock (hypovolemisch, obstructief, cardiogeen en distributief).
  • Benoemt klinische verschijnselen van de vier vormen van shock.
  • Beschrijft het mechanisme bij gecompenseerde en irreversibele shock.
  • Benoemt het hemodynamisch profiel van de vier vormen van shock (CO, PVR, SVR, CVD, PAP, PCWP, bloedvolume en veneuze saturatie).
  • Beschrijft validiteit en kwaliteit van metingen die de circulatie monitoren (ABP, NIBD, CVD/halsvenen, lactaat, perifere circulatie).
  • Beschrijft het fenomeen pulsus paradoxus.
  • Benoemt (contra)indicaties en doelstelling van medicatie bij behandeling van de verschillende typen shock.
  • Beschrijft begrippen sympathicolyticum, parasympathicolyticum, sympathicomimeticum.
  • Beschrijft de werking van dopamine, dobutamine, adrenaline, noradrenaline, enoximone, isoprenaline en atropine.
Patiënt met shock — integreren & toepassen

De student:

  • Beoordeelt relevante gegevens om een conclusie te trekken over de aanwezigheid van shock.
  • Onderscheidt verschillende typen shock op basis van het hemodynamisch profiel.
  • Stelt een werk- en differentiaaldiagnose op.
  • Beargumenteert noodzakelijke observaties, controles en metingen.
  • Geeft aan hoe de circulatie ondersteund moet worden.
  • Beargumenteert (mogelijk) positief en negatief effect van interventies.
  • Beargumenteert hoe het effect van interventies geëvalueerd en bewaakt wordt.
  • Bepaalt welke bewaking noodzakelijk is op basis van een risicoanalyse.

Vragen of inschrijven?

Voor vragen over de aansluitingstoets, beschikbare data en inschrijven kun je contact opnemen met de onderwijsadministratie via zorgopleidingen@umcg.nl. Algemene informatie over vrijstellingen vind je op de pagina Vrijstellingen aanvragen.